|
|
|
|
|
|
Integrale Yoga is nooit een koude
abstractie. Zij is altijd een warme directe ervaring. Het is de
sleutel tot de wereld, zowel tot de uitwendige wereld, als tot de
inwendige subjectieve wereld. |
|
|
 |
|
|
Vraag het denken niet om iets te
bevestigen wat veel dieper gaat dan het denken. De enige geldige
bevestiging is de directe ervaring. |
|
|
 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
DE DWAAS, DE WIJZE EN DE KRUIK
Een dwaas kan de naam zijn die aan de gewone mens wordt gegeven die
voortdurend uitlegt wat hem overkomt, wat hij doet of wat door anderen
wordt gedaan. Hij doet dit zo volkomen aannemelijk -voor zichzelf en de
zijnen- dat grote gebieden van het leven en denken logisch en waar
lijken te zijn.
Op een dag werd zo'n dwaas met een kruik naar een wijs man gestuurd om
wat wijn te halen.
Onderweg liet de dwaas, door zijn onoplettendheid, de kruik tegen een
rots vallen.
Toen hij bij het huis van de wijze kwam, gaf hij hem het oor van de
kruik en zei: 'Dinges stuurt u deze kruik, maar een afschuwelijke steen
stal hem van mij.'
Geamuseerd en verlangend de samenhang van zijn verhaal te onderzoeken,
vroeg de wijze: 'Als de kruik is gestolen, hoe kunt u me dan het oor
geven?'
"Ik ben niet zo gek als de mensen wel denken,' vertelde de dwaas hem,
'daarom heb ik het oor meegebracht om mijn verhaal te bewijzen.'
DE DRIE
VISSEN
In een vijver leefden eens drie vissen- een pientere vis, een slome vis
en een domme vis. Het leven verliep voor hen zoals overal voor vissen,
totdat er op een dag een man verscheen.
Hij had een net bij zich en de pientere vis zag hem door het water heen.
Door van zijn ervaring, zijn verstand en de verhalen die hij had gehoord
gebruik te maken, besloot hij iets te ondernemen.
'Er zijn weinig plaatsen in de deze vijver waar ik me kan verbergen',
dacht hij. 'Daarom zal ik doen of ik dood ben.'
Hij verzamelde zijn krachten, sprong uit de vijver en kwam aan de voeten
van de visser terecht, die nogal verbaasd was. Maar omdat de pientere
vis zijn adem inhield, dacht de visser dat hij dood was en gooide hem
terug.
De vis gleed echter in een holletje onder de oever.
De tweede vis, de slome, begreep niet helemaal wat er gebeurd was. Hij
zwom naar de pientere vis toe en vroeg hem alles.
"Eenvoudig', zei de pientere vis, "ik deed of ik dood was, dus gooide
hij me terug.'
De slome vis sprong onmiddellijk uit het water, aan de voeten van de
visser.
'Vreemd', dacht de visser, 'ze springen hier allemaal rond.'
Maar omdat de slome vis vergat zijn adem in te houden, begreep de visser
dat hij leefde en stopte hem in zijn zak.
Hij kwam terug om in het water te kijken en omdat hij nogal verbaasd was
vissen vlak voor zich op de grond te zien rondspringen, deed hij de klep
niet over zijn zak.
Toen de slome vis dit bemerkte, kon hij zich er net uitredden en, al
heen er weer spartelend, wipte hij terug in het water. Hij zocht de
eerste vis op en ging hijgend naast hem liggen.
De derde vis, de domme, kon helemaal niets van dit alles doen, zelfs
niet toen hij de verhalen van de eerste en de tweede vis had gehoord. Ze
namen dus ieder punt met hem door, bezwoeren hem vooral niet te ademen
en te doen alsof hij dood was.
'Bedankt, nu begrijp ik het', zei de domme vis.
Met deze woorden slingerde hij zich uit het water en belandde precies
voor de voeten van de visser.
De visser echter, die al twee vissen verloren had, stopte hem in zijn
zak zonder zich erom te bekommeren of hij ademende of niet. Hij wierp
het net steeds weer in de vijver, maar de eerste twee vissen kropen
onder de oever.
En deze keer was de tas goed gesloten. De visser gaf het tenslotte op.
Hij opende de zak, zag dat de domme vis niet ademde en nam hem mee naar
huis voor de poes.
De eigenzinnige prinses
Een koning geloofde in wat hem was geleerd en dat wat hij geloofde ook
waar was. Hij was op vele manieren een rechtvaardig mens, maar iemand
met beperkte ideeën.
Op een dag zei hij tegen zijn drie dochters: “Alles wat ik heb is van
jullie of zal van jullie zijn. Jullie hebben het leven aan mij te
danken. Mijn wens bepaalt jullie toekomst en daarom jullie lot.”
Gehoorzaam en volkomen overtuigd van de waarheid hiervan, waren twee van
de meisjes het hier mee eens. De derde dochter zei echter: “Hoewel mijn
positie verlangt dat ik gehoorzaam ben aan de wetten, geloof ik niet dat
mijn lot door uw mening bepaald wordt.”
“Dat zullen we eens zien,” zei de koning.
Hij gaf bevel haar in een kerker gevangen te zetten, waar ze jarenlang
wegkwijnde. Ondertussen maakten de koning en zijn gehoorzame dochters
vrij gebruik van de rijkdom die anders aan haar was besteed.
De koning zei bij zichzelf: “Dit mooie meisje zit niet door haar eigen
wil, maar door de mijne in de gevangenis. Dit bewijst duidelijk genoeg
voor ieder logisch denkend mens, dat het mijn wil is en niet de hare,
die haar lot bepaalt.”
De mensen in het land die over de toestand van hun prinses hoorden,
zeiden tegen elkaar: “Ze moet iets heel ergs gedaan of gezegd hebben
tegen de vorst van wie wij niets slechts ontdekt hebben, om zijn eigen
vlees en bloed zo te behandelen.” Want zij hadden het punt nog niet
bereikt waarop zij het nodig vonden de aanmatiging van de koning in
alles gelijk te hebben, te betwisten.
Af en toe bezocht de koning het meisje. Hoewel ze door haar
gevangenschap bleek en verzwakt was, weigerde ze haar houding te
veranderen.
Uiteindelijk was het geduld van de koning op.
“Je voortdurende uitdaging,” zei hij tegen haar, “verveelt me alleen nog
maar meer en mijn rechten lijken erdoor te verminderen, wanneer je in
mijn rijk blijft. Ik zou je kunnen doden maar ik ben genadig. Daarom
verban ik je naar de wildernis die aan mijn grondgebied grenst. Dat is
een wildernis waar alleen wilde beesten en zulke zonderlinge
verschoppelingen zitten, die niet in onze verstandige samenleving thuis
horen. Daar zul je er gauw achterkomen of je afzonderlijk van ons gezin
kunt leven; en als je dat kunt, of je daar de voorkeur aan geeft.”
Zijn besluit werd onmiddellijk gehoorzaamd en ze werd naar de grenzen
van het koninkrijk overgebracht. De prinses bevond zich alleen in een
wilde streek, die weinig leek op de beschermde omgeving van haar jeugd.
Maar al gauw leerde ze dat een grot haar tot huis kon dienen, dat noten
en vruchten zowel van bomen als van gouden schalen kwamen en dat warmte
van de zon kwam. Deze wildernis had een eigen klimaat en vorm van
bestaan.
Na enige tijd had ze haar leven zo geregeld, dat ze water uit bronnen
kreeg, groente uit de grond en vuur uit de smeulende boom.
“Hier is een leven,”zei ze tot zichzelf, “waarvan de elementen bij
elkaar horen, een eenheid vormen; toch gehoorzamen ze noch afzonderlijk,
noch gezamenlijk aan de bevelen van mijn vader, de koning.”
Op een dag trof een verdwaalde reiziger, toevallig een zeer welgesteld
en vindingrijk man, de verbannen prinses aan, werd verliefd op haar en
nam haar mee naar zijn land en daar trouwden ze.
Na lange tijd besloten ze samen naar de wildernis terug te gaan. Daar
bouwden ze een grote bloeiende stad, waar hun wijsheid, rijkdommen en
geloof volledig tot ontplooiing kwamen. De ‘zonderlingen’ en andere
verschoppelingen, velen waarvan men dacht dat het dwazen waren,
harmonieerden volledig en nuttig in dit veelzijdige leven.
De stad en de omringende streek werd bekend over de hele wereld. Het
duurde niet lang of de kracht en schoonheid ervan overtrof die van het
rijk van de vader van de prinses in hoge mate.
Door de eensgezinde keus van de inwoners werden de prinses en haar
echtgenoot gekozen tot de vorsten van dit ideale rijk.
Uiteindelijk besloot de koning deze vreemde en geheimzinnige streek, die
uit de wildernis was herrezen, te bezoeken en die, tenminste voor een
deel, bevolkt werd door, naar hij had gehoord, hen die hem en zijn
gelijken verachtten.
Toen hij met gebogen hoofd langzaam de voet van de troon van het jonge
paar naderde en zijn ogen opsloeg om hen te ontmoeten wier geroemde
rechtvaardigheid, voorspoed en begrip dat van hem verre overtroffen,
hoorde hij zijn dochter mompelen: “U ziet het, vader, iedere man en
iedere vrouw heeft een eigen lot en een eigen keus.”
DE KENNIS VAN
VERLEDEN, HEDEN EN TOEKOMST
Wat voor nut heeft enige poging in 't leven als de toekomst al
vastgesteld is, zal men vragen. En een ander zegt: "Er bestaat geen
predestinatie, want alle dingen die gebeuren, worden door ons zelf
veroorzaakt."
Er zijn mensen, die altijd trachten het goede te doen, en het zal altijd
verkeerd uitkomen. Zo iemand vraagt dan: "Word ik belemmerd door boze
geesten?"
De Soefi bestudeert de schaduw, teneinde het licht te verstaan. Hij
zoekt de verbindende schakel tussen goed en kwaad. Dat zijn twee punten,
die door één lijn verbonden zijn. Als gij naar een van beide zoekt, gaat
gij óf naar de ene, óf naar het andere punt, maar als ge de lijn
vasthoudt, begrijpt ge het geheel. Bij ieder probleem moet gij de lijn
zien, i.p.v. de twee uiteinden. Dat is Soefisme.
De schilder schept een schilderij in drie stadia: a. voorbereiding; b.
behandeling; c. voltooiing; gezien vanuit het stadium van behandeling is
dit verleden, heden en toekomst. Dit doen wij allen.
De eerste trap is het ontwerp van het beeld; dat is voorbeschikking. Wij
zijn de openbaring van de eeuwige Zon, en daardoor zijn alle
eigenschappen van de Schepper in Zijn schepselen. Ook wij maken een plan
voor wij met iets aanvangen. Wij hebben het in onze gedachten geschapen.
Zo deed de Schepper, zo doet de mens. Wij scheppen met een penseel, een
pen. Zijn kunst is de natuur. De Koran zegt: "Wij hebben de mens
onderricht met de pen der natuur." Het is onze natuur om te scheppen; en
door kunst te scheppen, kunnen wij onze bedrevenheid ervaren. De kunst
die wij voortbrengen is in overeenstemming met onze natuur, met de
schepper in ons.
In het tweede stadium komt het beeld op het doek, het inspireert thans
zelf de schilder. Naarmate het groeit ziet hij dat de kleur anders moet
zijn, ontdekt hij de fouten erin, en verandert ze. Zo gaat het in elk
leven. Het ene stadium van ons leven is voorbeschikking, in een tweede
werken wij ons plan uit, en het derde is het resultaat van onze
handelingen. "Zoals wij zaaien, zullen wij maaien." Van al wat wij doen
zien wij de reactie, en die reactie verandert ons leven. Zoals zijn
schilderij de schilder zegt, dat hij het op een andere wijze moet
voleinden, dat het niet "af" is - zo zeggen ons onze daden of wij anders
moeten handelen dan wij doen.
De mens wil altijd dingen weten, die hij nog niet weet. Dit stamt uit
zijn kindsheid. Kinderen breken dingen om te weten wat er in zit. Maar
de mens weet niet, hoe hij tot kennis moet komen. Hij verwacht te veel.
Als hij eenmaal wéét, dan worden hemel en aarde aan hem geopenbaard. Als
wij willen weten wat zich op de zevende verdieping bevindt, moeten wij
de eerste verdieping verlaten. Als wij beneden zijn en niet hoger kunnen
komen, betekent dit, zoals de mystiek ons duidelijk maakt, dat wij
stellig wel wensen te gaan, maar op de benedenste verdieping gevangen
zitten.
Roemi zeide: "Wat zegt de bamboe-fluit, dat gij zo graag naar haar
luistert? Waarom klaagt zij? Waarom boeit zij zozeer uw aandacht?
Wat treft u zo zeer? Zij klaagt over het leed van de scheiding; wijl zij
weggeraakt is van haar tehuis, van de plant waartoe zij behoort. Zij is
afgesneden van haar oorsprong. Zij treurt om de dagen toen zij één was
met de ganse bamboe-boom. Zij treurt om de vreugde en de vrede welke zij
heeft genoten, maar waaraan zij nooit meer deel heeft. Het is deze
scheiding, waarover zij klaagt, waarmee zij u ontroert.
Zo is het met de mens gegaan. De mens wenst te weten van God, van de
hemel, van de ongeweten dingen, van de onzichtbare wereld, en hij denkt
het te kunnen zien vanaf de eerste verdieping. Hij is niet bereid te
geloven, dat er iets als een zevende verdieping is; hij gelooft alleen
de benedenste.
Als hij verlost werd van deze dwaling, en hem vergund werd op te stijgen
naar de andere verdiepingen, dan zou hij zien wat deze hogere bevatten.
En dan zou hij weten, dat er iets bestaat waardoor men de kennis van
verleden, heden en toekomst kan verkrijgen.
Veronderstel dat er op de derde verdieping een mechanisme is, dat
instrumenten voortbracht, dan zou men weten dat er op de eerste
verdieping een verzameling materiaal moest wezen en op de tweede een
rangschikking daarvan in groepen. Op de derde verdieping zouden zij
bruikbaar gemaakt worden, en men zou daaruit begrijpen wat er op de
vierde verdieping moet zijn.
In de Koran wordt gezegd: "Wij zonden onze dienaar (profeet) in de nacht
naar de hemelse sferen, waar wij hem tekenen toonden zodanig als wij
begeerden hem te tonen." Met andere woorden: God wenst wie Hem wil
verwezenlijken, het leven zal kennen; het is Zijn wens dat wij de
tekenen zullen zien, die Hij tevoren maakt en ordent, en ook datgene wat
gekend zal worden door op te stijgen naar een derde en vierde
verdieping.
De verdiepingen stellen de bestaansgebieden voor. Wij bestaan niet enkel
op het aardse of fysieke gebied. Door in dit gebied geheel op te gaan,
zijn we wakker hier, maar blind voor de andere gebieden. Woorden kunnen
niet uitdrukken wat van de hemel is. Zij, die daarvan de kennis hebben,
zijn gehouden te zwijgen, omdat daarvoor geen woorden bestaan. Het is
een feit, dat alle gebieden hier zijn. Alleen als onze ogen niet
open zijn om deze te zien, leven wij uitsluitend in het lagere gebied.
Eens zal ons sterfelijk deel in de dood gaan: maar we kunnen nu reeds
sterven in een andere betekenis, en nu reeds tot aanschouwing komen van
het hogere. De verschillende verdiepingen zijn slechts omhulsels. In dit
leven is het licht verborgen onder een schepel; deze schepel is het
fysieke lichaam. Het licht kan niet ontsloten worden, eer het sterfelijk
deel is opgeheven.
Als wij van onze ogen afhangen om te zien, van onze oren om te horen en
van onze mond om te spreken, dan zijn wij nog dood. Maar soms
ondervinden wij, dat we zien zonder ogen, kunt ge niet in een droom zien
zonder ogen, horen zonder oren en spreken zonder woorden? Het vermogen
om te zien en te horen is in ons; maar door ons altijd afhankelijk te
stellen van het fysieke lichaam, worden wij hulpeloos en onderworpen aan
de dood.
De lering van onsterfelijkheid is te ontwaken. Wij moeten ernaar
streven onafhankelijk te worden van fysieke zintuigen.
Wij weten, dat als wij iets goed begrijpen willen, we onze ogen sluiten,
teneinde het beter op ons te laten inwerken. Dit betekent, dat wij naar
de een of andere gedachte luisteren, die uit een ander gebied tot ons
komt. En daarvoor moeten wij klank en beeld van buiten afsnijden en
weren. Alle meditaties en concentraties van de mystieken, ook hun dromen,
zijn reizen naar de innerlijke gebieden. Als de ziel verleden, heden en
toekomst verlangt te kennen, kan zij dit verlangen slechts bevredigen
door een leven van contemplatie. Hoe meer de geest vermoeid is en
uitgeput, des te meer heeft zij behoefte aan meditatie.
Wijzen spraken met rotsen, vogels en dieren; denkt aan St. Franciscus.
Net zoals wij spreken, maar door middel van hun inzicht in het wezen der
dingen; en alles deelde zich aan hen mede en sprak tot hen over
verleden, heden en toekomst.
Het is geen wonder, dat dieren de toekomst kennen. Paarden, honden,
katten weten wanneer er iemand sterven gaat. Dan beginnen ze te
schreeuwen. En de mens weet het niet. Waarom zou hij het niet evengoed
kunnen weten? Omdat zijn ziel is ingenomen door aardse belangen op dit
ondermaanse, terwijl de dieren daar vrij van zijn. Zij zitten rustig en
mediteren, en zijn geconcentreerd. De mens zit nooit rustig; de dieren
door hun rust zijn in staat te weten, wat de mens verborgen blijft. Al
te grote activiteit brengt de mens nader tot dood en verval. En de
intuïtie wordt verstikt.
In de ziel leeft de neiging om vooruit te zien naar wat zal zijn, of
terug naar wat geweest is. Dit doen wij met het licht in onze ziel, de
hogere intelligentie. Zolang intelligentie zich tot hersenwerk bepaalt,
reikt zij niet verder dan het intellect; werkt zij echter vrij en
onafhankelijk dan is zij wijsheid.
Wijsheid is geen knapheid, maar oneindig superieur hieraan. Wijsheid
werkt onafhankelijk van het verstand en vereist daarom intuïtie.
Zijn waarzeggerij, astrologie en dergelijke de beste middelen om de
toekomst te kennen? Geen enkel is in de grond verkeerd - in alles is
waarheid. Voor het oog van de ziener worden alle dingen zichtbaar. Wij
behoeven daartoe onze toevlucht niet te nemen tot koffiedik of enig
ander attribuut, voor de werkelijke ziener is alles als een open boek
is.
De leider van de zaak weet alles wat er omgaat: maar de ondergeschikten
weten alleen datgene waaraan zij bezig zijn. In een stad ziet de een het
plein, de ander een straat, weer een ander een enkel huis of nog minder.
Maar iemand die op de toren staat, ziet het geheel. Zo zal de ziener
alles zien in zijn eigen bewustzijn, en datgene waarop zijn blik valt,
zal hij nog helderder zien.
"Ieder blad van een boom wordt een boek van openbaring voor hem die
ziet; hij leest de ganse natuur als een boek." Sa'di.
Wat de macht van de adem is.
Adem, het geheim van alle wezen, is het belangrijkste
van alles. Of ge een krachtig lichaam hebt, heeft er niets mee te maken.
Wanneer ge in gewicht toeneemt, is het alsof ge uw jas zwaarder maakt,
want uw ware wezen is de adem. Als de adem het lichaam verlaat, is het
lichaam nutteloos geworden. Het belang van ons wezen ligt in de adem.
Adem is God. Indien God zich in iets manifesteert, dan is het in de
adem. De activiteit van ons fysiek is afhankelijk van de adem. Deze
bewaart het ritme van de pols en het hoofd. De innerlijke centra worden
in stand gehouden door dit ritme. Als de tik
van een klok, zo is de schommeling van de adem. En overeenkomstig dit
ritme, is de conditie van het lichaam. Onregelmatigheid van de
ademhaling betekent ziekte. In drift is het ritme van de ademhaling veel
vlugger dan anders, zo zelfs dat het soms ’t spreken onmogelijk maakt.
“Sprakeloos van boosheid,” is spreekwoordelijkheid; zo werkt de
ademhaling op het denkvermogen. Ook atletische oefeningen zijn feitelijk
niets anders dan oefeningen in de ademhaling. Een lastdrager wordt geen
atleet, indien hij zijn adem niet doelbewust gebruikt. Hij spant zich in
zonder resultaat.
De leeuw, de luipaard en andere wilde dieren hebben een zeer
onregelmatige ademhaling; er is geen ritme in, zij hebben ook een kort
leven. De cobra daarentegen windt zich nooit op; zij haalt langzaam adem
en trekt haar voedsel , van welke afstand ook, tot zich door zuivere
concentratie van de wil. Zij heeft een zeer lang leven.
Ons ademhalen is het effect van de Adem. Inderdaad is het een trilling,
rijzend en dalend. Er is trilling in alle dingen, in leven en geboorte,
en in alles is ritme. Het is alles activiteit van God. Er zijn
verschillende ritmen voor de duur van de dag, het uur, de minuut, de
veertig dagen. Er is een samenhang tussen die ritmen en het leven in het
heelal, als tussen het licht van zovele kaarsen en lampen.
Woord – Licht – Schepping. De adem is het woord. Ge kunt geen woord
uiten zonder de adem. Dus is het woord adem en woord tegelijk. De
gewaarwording komt vóór de klank.
Als de adem zich niet manifesteerde door de stem, zou hij zich openbaren
op een andere wijze, als de afwezige verklanking van gedachte. Waarheen
hij gericht wordt, zal hij gaan.
Als ge een gedachte niet uitspreekt, zal de
adem toch in stilte werken. De mens denkt, dat men alleen kan horen met
zijn oren, zozeer hecht hij aan het fysieke lichaam. Zodra ge overtuigd
raakt, dat ge kunt horen zonder oren, zult ge het kunnen zonder dat men
tot u spreekt. Ge zult weten dat iemand boos is zonder dat hij spreekt,
wijl die persoon het openbaart in al zijn trillingen. De wijze waarop
iemand “ja” zegt, zal u doen weten of hij
gewillig is of niet. Dit hangt namelijk af van het karakter van de adem
op dat moment.
Zij die een materieel leven leiden, openbaren dit, aangezien ook de adem
materieel wordt en geluid maakt. Deze is zo dicht geworden, dat hij
werkelijk hoorbaar is. Bij verfijnde mensen is de adem licht. Koeien,
kamelen en buffels maken gerucht als zij
ademen. Hierbij toont zich dadelijk de fijnheid en grofheid van het
individu. Zij, die deze soort dingen opmerken, zullen ze begrijpen.
De verschillende stemmingen waarin wij verkeren, neiging tot lachen of
schreien, zwaarmoedigheid, vervoering, meditatie – alles is het
resultaat van de adem. Deze verandert zovele malen wat haar activiteit
betreft, gedurende dag en nacht. In die verandering drukt zich een
bepaald element uit: aarde, water, vuur, lucht, ether. En iemand voelt
zich geneigd te handelen in overeenstemming met het element, dat op dat
ogenblik in hem overheersend is.
De verschillende begeerten wortelen in de adem; zelfs het karakter van
de mens, zijn "kansen",
alles hangt af van de adem. Wie het mysterie van de adem kent, kan in de
ziel lezen. De adem is een schakel tussen God en de mens. De adem wordt
gereinigd door gebed. Vuur-aanbidders plaatsen vuur voor zich ten einde
hun adem ritmisch te houden.
De wetenschap van de ademhaling wordt slechts overgebracht door het
woord van de leraar waar hij iemand waardig keurt haar te leren. Er zijn
drie woorden die de trappen van bekwaamheid tekenen: jelal, d.i. kracht
van de adem; jemal, dit is fijnheid van de adem. Kemal is de
volmaaktheid van de adem. De laatste trap vindt zijn hoogtepunt in het
verrichten van wonderen. een boek is in dit opzicht een dode lering.
De mens zendt zijn adem voortdurend uit naar ongewenste centra. Het is
nodig een levende gids te hebben, en niet te trachten het uit boeken te
leren. Dan bereikt men met het leiden van een zuiver en goed leven nog
oneindig meer. Laat uw kalmte niet verstoord
worden, dan zal het ritme van de ademhaling regelmatig blijven. het
denkvermogen zal in goede staat blijven en het lichaam gezond. Hecht je
niet zo aan aardse dingen, maakt jezelf niet tot slaaf van wat dan ook.
Wees boven alle begeerten verheven. Volg de wet van zuiverheid, de wet
van evenwicht. Wees goed voor anderen, heb goede wensen, goede
gedachten. Bewaar het als een hoog ideaal en blijf altijd verlangen dit
te bereiken. Door dit alles te volbrengen, zal de adem ook in deze vorm
worden vastgelegd.
De weerwolf en de Soefi
Een Soefi-meester die alleen door
een verlaten bergstreek reisde stond plotseling tegenover een weerwolf,
een reusachtig monster, dat tegen hem zei dat hij hem zou verscheuren.
De meester zei: ‘Goed dan, doe maar wat je wilt. Maar ik kan je
overmeesteren, want ik ben oneindig veel sterker en op meer manieren dan
je wel denkt.’
‘Onzin’, zei de de weerwolf. ‘Jij bent een Soefi-meester die in
geestelijke dingen geïnteresseerd is. Jij kunt me niet overmeesteren,
want ik vertrouw op bruut geweld en ben dertig maal groter dan jij.’
‘Als je een krachtproef wilt’, zei de Soefi, ‘neem dan deze steen en
knijp er water uit.’ Hij raapte een steen op en gaf die aan de
verschijning. Wat de weerwolf ook probeerde, het lukte hem niet.
‘Het gaat niet, er zit geen water in de steen. Laat jij maar zien of het
er in zit.’
In de schemering pakte de meester de steen, nam een ei uit zijn zak en
kneep ze samen, terwijl hij zijn hand boven die van de weerwolf hield.
Deze was ervan onder de indruk, want mensen zijn vaak onder de indruk
van dingen die ze niet begrijpen en stellen zulke dingen bijzonder op
prijs, meer dan voor hun eigen belang nodig is.
‘Ik moet er over nadenken’, zei hij. ‘Ga mee naar mijn hol, daar zal ik
je onderdak geven voor de nacht.’ De Soefi vergezelde hem naar een
reusachtige grot die bezaaid was met eigendommen van duizenden vermoorde
reizigers; een ware grot van Aladdin.
‘Ga hier naast me liggen slapen’, zei de weerwolf, ‘en morgen zullen we
onze krachten meten.’ Hij ging liggen en viel meteen in slaap.
Plotseling voelde de meester, wiens instinct hem tegen verraad
waarschuwde, een drang om op te staan en zich op enige afstand van de
weerwolf te verstoppen. Dit deed hij nadat hij het bed zo had opgemaakt
dat het leek of hij er nog lag.
Nauwelijks was hij op veilige afstand, of de weerwolf ontwaakte. Met één
hand raapte hij een boomstronk op en gaf de stomme in het bed zeven
flinke klappen. Toen ging hij weer liggen en viel in slaap. De meester
ging terug naar zijn
bed, ging liggen en riep tegen de weerwolf: ‘O weerwolf! Je hebt een
geriefelijk hol, maar ik ben zeven keer door een mug gestoken. Daar moet
je echt wat aan doen.’
De weerwolf schrok hier zo van, dat hij geen nieuwe aanval waagde. Als
iemand per slot van rekening zeven keer door een weerwolf was geraakt
die met al zijn kracht een boomstronk hanteerde…
’s Ochtends wierp de weerwolf een hele koeiehuid naar de Soefi en zei:
‘Ga wat water halen voor het ontbijt, dan kunnen we thee zetten.’
In plaats van de huid op te pakken (die hij trouwens nauwelijks had
kunnen optillen), liep de meester naar de dichtstbijzijnde beek en begon
een geul naar de grot te graven. De weerwolf kreeg dorst: ‘Waarom ga je
geen water halen?’
‘Kalm, vriend. Ik graaf een blijvende geul om het bronwater precies bij
de opening van de grot te brengen, zodat je nooit meer een waterzak
hoeft te dragen.’
Maar de weerwolf was te dorstig om te wachten. Hij pakte de huid op,
liep met grote stappen naar de rivier en vulde hem zelf.
Toen de thee was gezet, dronk hij verscheidene liters en zijn verstand
begon wat beter te werken. ‘Als je zo sterk bent, en dat heb je me
bewezen, waarom kun je die geul dan niet sneller graven, in plaats van
centimeter voor centimeter?’
‘Omdat dat wat werkelijk de moeite van het doen waard is, niet
behoorlijk gedaan kan worden zonder een minimale hoeveelheid
inspanning’, zei de meester. ‘Alles heeft zijn eigen hoeveelheid
inspanning en voor het graven van de geul gebruik ik niet meer
inspanning dan nodig is. Bovendien wist ik dat jij zo’n gewoonteschepsel
bent, dat je altijd de koeiehuid zult gebruiken.
HET
IDEALE LEVEN
Er was eens een wijze die door veel mensen werd bezocht. Hij viel
bij iedereen in de smaak. Hij hield niet van discussiëren en
argumenteren, want voor een wijze valt er niets te discussiëren.
Discussie is voor mensen die zeggen: "Ik heb het bij
het goede, en jij hebt het bij het verkeerde eind." Zoiets zal een wijze
nooit zeggen, vandaar dat er geen discussie is. De wereld is echter
altijd aan het bekvechten, discussiëren en argumenteren.
Velen probeerden met hem in discussie te treden, maar hij deed zijn
uiterste best om een dispuut te vermijden. Ik vond het heerlijk om te
horen hoe hij zijn gesprekspartners te woord stond.
Mijn vrienden wilden met hem discussiëren over het ideale leven. Hij zei:
"Het ideale leven is wat je zelf denkt dat het is."
Mijn vrienden warenb daar niet tevreden mee: ze wilden een discussie
uitlokken. Ze vroegen: "Denkt u dat het wereldse leven met al zijn
verantwoordelijkheden, met al zijn gezwoeg van ochtend tot avond het
ideale leven is?"
Hij zei:"Ja."
Ze vroegen: "Denkt u niet dat het leven dat u leidt in afzondering het
ideale leven is?"
Hij antwoordde: "Ja."
Ze vroegen: "Maar hoe kunnen we ons huidige leven, onze
verantwoordelijkheid tegenover onze kinderen, ons beroep en al die
dingen die zoveel tijd vergen, opgeven? Hoe kunnen we dat leven achter
ons laten om uw ideale leven te leiden?"
Hij zei: "Geef het niet op."
Ze vervolgden: "Maar als we het niet opgeven, hoe kunnen we dan
vorderingen maken op het gebied van het geestelijk leven?"
Toen vroeg de wijze: "Wat verstaan jullie eigenlijk onder geestelijk
leven?
Ze zeiden: "Daaronder verstaan we een leven zoals dat van u."
Hij zei: "Als je denkt dat mijn leven een geestelijk leven is, wees dan
als ik. Als je denkt dat jullie leven een geestelijk leven is, houd je
daar dan aan. Als je denkt dat mijn leven je gelukkig maakt, geef dan je
eigen leven op. Doe wat je gelukkig maakt, doe wat je denkt dat goed is
en kijk wat er dan gebeurt. Als het je gelukkig maakt, ga er dan mee
door, wat anderen ook zeggen. Als het je gelukkig maakt, als het je
voldoening geeft, dan is het goed. Ga er mee door, dan ben je altijd
gezegend."
GELOOF
Een leerling die een vast geloof in de oneindige macht van zijn meester
bezat was in staat om door het uitspreken van diens naam een
rivier over te wandelen. De leermeester die dit zag dacht bij zichzelf:
'Indien de macht van mijn naam zó groot is, hoe groot moet dan wel mijn
persoonlijkheid zijn!'
De volgende dag beproefde ook hij, onder het uitspreken van 'Ik, ik, ik'
hetzelfde te doen. Zodra hij echter het wateroppervlak betreden had zonk
zijn lichaam in de diepte en hij verdronk.
Het geloof kan wonderen verrichten, terwijl ijdelheid en zelfzucht de
ondergang van een mens kunnen betekenen. Aan alle wonderdaden ligt niets
anders dan absoluut vertrouwen en algehele overgave aan God ten
grondslag.
DE NAP VAN DE DERWISJ
Er kwam eens een derwisj bij
Silkander, de grote koning, met een bedelnap en vroeg hem of hij die nap
kon vullen.
Silkander keek hem aan en zei: "Wat een vraag aan een koning als ik!
Zo'n kleine nap vullen? Daar is toch niets aan?"
Maar die nap was een tovernap. Er werden honderden, ja miljoenen in
gegooid en nog was hij niet vol. Hij bleef voortdurend half leeg.
Toen Silkander merkte dat hij de nap niet kon vullen en dat hij arm
geworden was, zei hij: "Derwisj, u bent beslist een tovenaar. Dit is een
tovernap. U heeft al mijn schatten opgeslokt en nog steeds is hij leeg."
De derwisj antwoordde: "Silkander, al zouden alle schatten ter wereld
erin gegooid worden, hij zou steeds halfleeg blijven. Weet u niet wat
deze nap voorstelt? Het is de behoefte van de mens aan meer."
top
De test van de Meester
“Ik ben arm en zwak,” zei een meester op een dag tegen zijn leerlingen.
“Maar jullie zijn jong en ik ben jullie leraar; daarom is het jullie
plicht geld te vinden dat je oude leraar nodig heeft om van te leven.”
“Hoe kunnen we dat aanpakken,” vroegen de leerlingen, “de mensen in deze
stad zijn niet erg gul, het zou vergeefs zijn als we hen om
ondersteuning zouden vragen.”
“Mijn zonen,” antwoordde de leraar, “er is een manier om aan geld te
komen, niet door te vragen maar door te nemen. Het zou voor ons geen
zonde zijn te stelen want wij hebben meer recht op geld dan anderen.
Maar helaas ben ik te oud en te zwak om het te doen.”
“Wij zijn jong,” antwoordden de leerlingen, “wij kunnen het wel doen. Er
is niets dat we voor U niet zouden willen doen, dierbare meester. Zeg
ons alleen hoe we te werk moeten gaan en wij zullen gehoorzamen.”
“Voor jonge kerels zoals jullie,” zei de meester, “zou het een koud
kunstje zijn een rijke man zijn portemonnee afhandig te maken. Zo moet
je het doen. Zoek een rustig plekje waar niemand je ziet, dan grijp je
een voorbijganger en pak hem zijn geld af, maar doe hem geen kwaad.”
“We gaan meteen,” zeiden de leerlingen, op één na die met neergeslagen
ogen niets had gezegd. De leraar keek naar de jonge man en zei: “Mijn
andere leerlingen zijn moedig en enthousiast om te helpen, maar jij bent
nauwelijks begaan met het lijden van je meester.”
“Vergeeft U mij meester,” antwoordde hij, “maar het plan dat U hebt
uiteengezet lijkt mij niet te realiseren, dat is de reden van mijn
zwijgen.”
“Waarom is het niet mogelijk?”vroeg de meester.
“Omdat er geen plek bestaat waar niemand het ziet,” antwoordde de
leerling.
”Zelfs wanneer ik helemaal alleen ben, is mijn zelf er nog die het ziet.
Ik zou liever met de bedelnap rondgaan, dan mijn zelf de kans geven mij
te zien stelen.”
Bij deze woorden lichtte het gelaat van de meester op van vreugde.
Hij nam de jonge leerling in zijn armen en omhelsde hem.
“Hoe gelukkig ben ik,” zei hij, “dat onder mijn leerlingen één mijn
woorden heeft begrepen.”
De andere leerlingen die nu zagen dat de meester hen op de proef had
gesteld, lieten het hoofd van schaamte vallen.
Vanaf die dag, wanneer er maar één onwaardige gedachte in hun hoofd
opkwam, herinnerden ze zich de woorden van hun vriend: “Mijn zelf ziet
het.”
En zó werden ze grote mannen en leefden nog lang en gelukkig.
top
DE
MACHT VAN HET WOORD
Er gaat een verhaal over een soefi die een doodziek kind genas. Hij
herhaalde een paar woorden en gaf toen het kind aan de ouders met de
woorden: "Hij is genezen."
Iemand die niets met dergelijke dingen op had, zei tegen hem: "Hoe kun
je door het uitspreken van een paar woorden in vredesnaam iemand
genezen?"
Van een zachtaardig soefi verwacht je eigenlijk nooit een boos antwoord,
maar dit keer wendde hij zich tot de man en zei: "U begrijpt er niets
van. U bent een dwaas."
De man was verschrikkelijk beledigd. Hij werd knalrood. Hij was razend.
De soefi zei: "Als het woord de macht bezit om u knalrood en razend te
maken, waarom zou het dan niet de macht bezitten om te genezen?
top
DE
FABEL VAN DE LEEUW
Het gebeurde dat een leeuw aan de rand van de woestijn een leeuwenjong
zag spelen met een paar schapen. De kudde had zich erover ontfermd, het
leeuwtje wist niet wie hij werkelijk was. Tot zijn stomme verbazing zag
de grote leeuw dat het welpje voor hem op de loop ging. Het was net zo
bang voor hem als de schapen. De leeuw sprong midden tussen de schapen
en zei: "Halt," maar ze sloegen dodelijk verschrikt op de vlucht mét het
kleine leeuwtje. De leeuw rende achter het leeuwtje aan en toen hij het
had ingehaald zei hij: "Ik wil met je praten." Het jong zei: "Ik sta
over mijn hele lijf te trillen, ik ben bang, ik vind het vreselijk om zo
vlak bij u te staan." De leeuw zei: "Waarom loop je hier rond met de
schapen? Jij bent zelf een kleine leeuw." "Nee," zei het leeuwtje, "ik
ben een schaap. Laat me met de schapen gaan."
"Kom mee," zei de leeuw. "Voor ik je laat gaan, zal ik je laten zien wie
en wat je bent." Bevend liep de leeuwenwelp achter de grote leeuw aan
naar een waterplas. Hij liet hem hun spiegelbeeld in het water zien en
zei: "Kijk goed naar mij en kijk dan naar jezelf. Lijken we niet erg
veel op elkaar? Jij bent geen schaap, je bent een leeuw!
Misleid als we worden door het leven, is het zelf niet voorbereid op de
waarheid, en het verzet zich ertegen. Weerspiegelt het beeld zich echter
in het meer van het hart, dan komt het inzicht vanzelf.
top
HET SPROOKJE VAN HET ZAND
Een rivier, die vanuit zijn bron in de verre bergen door allerlei
landschappen stroomde, bereikte eindelijk het zand van de woestijn. Nu
hij iedere hindernis was gepasseerd probeerde de rivier ook deze
woestijn te doorkruisen, maar hij bemerkte dat het water verdween, hoe
snel hij ook door het zand stroomde. De rivier was er echter van
overtuigd dat - hoewel er geen weg was - het toch zijn bestemming was om
deze woestijn te doorkruisen.
Toen fluisterde een verborgen stem, die van de woestijn zelf was: "de
wind kan de woestijn oversteken en dat kan de rivier ook."
De rivier bracht daar tegenin, dat hij met het zand vermengd en
opgeslorpt zou worden. De wind kon vliegen en daarom de woestijn
oversteken.
"Door als vanouds te stromen kom je er niet doorheen, je zult óf
verdwijnen, óf een moeras worden, je moet willen dat de wind je
eroverheen draagt naar je bestemming toe," fluisterde de woestijn.
Maar hoe moest dat gebeuren?
"Door zelf te willen dat de wind je opneemt."
Dit idee kon de rivier niet bekoren. Goedbeschouwd was hij nog nooit
eerder opgenomen. Hij wilde zijn persoonlijkheid niet verliezen. En als
je die eenmaal verloren had, hoe kon je dan weten, dat je die ooit terug
kon krijgen.
"De wind," zo sprak het zand, "vervult deze taak. Hij neemt water op,
draagt het over de woestijn heen en laat het dan weer los. Door het als
regen te laten vallen wordt het dan weer een rivier."
Hoe weet ik dat dit waar is?
"Het is zo en als je het niet gelooft wordt je nooit méér dan een
modderpoel en zelfs dat kan vele vele jaren duren en dat is niet bepaald
hetzelfde als rivier zijn."
Maar kan ik niet dezelfde rivier blijven, die ik nu ben?
"In geen geval kun je zo blijven," fluisterde de stem. "Het wezenlijke
deel van je zal worden meegedragen en zal weer tot een rivier worden. En
je zult genoemd worden zoals je nu ook heet, omdat je niet weet wat je
wezenlijke deel is."
Toen de rivier dit hoorde kwamen bepaalde herinneringen in zijn geest
naar boven. Vaag herinnerde hij zich een staat waarin hij - of was het
een deel van hem? - in de armen van de wind werd gehouden. Ook
herinnerde hij zich - of toch niet? - dat dit het juiste was en niet
noodzakelijk het meest voor de hand liggende. Toen gaf de rivier zijn
damp over aan de verwelkomende armen van de wind, die hem teder en
gemakkelijk omhoog droeg en hem vervolgens, zo gauw ze de top van een
berg bereikt hadden, vele mijlen verder, zachtjes liet vallen. En omdat
de rivier had getwijfeld kon hij herinneringen bewaren en de details van
de ervaring duidelijk in zijn geest vastleggen. Hij overdacht: ja, nu
heb ik mijn ware aard leren kennen. De rivier leerde het.
Maar het zand fluisterde: "wij weten het , omdat we het dag in dag uit
zien gebeuren en omdat wij, het zand, ons helemaal uitstrekken van de
oever van de rivier tot aan de berg."
Daarom werd er gezegd, dat de manier waarop de levensstroom zijn reis
moet voortzetten, in het zand staat geschreven.
top
NOERI
Noeri was een toegewijde echtgenote maar elke dag kwam er een
merkwaardig moment. Dan sloeg ze haar man drie keer! Nadien was ze weer
in een goed humeur. Aanvankelijk verdroeg hij het geduldig. Maar hij
kreeg er genoeg van en verliet zijn vrouw. Toen was er een probleem,
want Noeri moest kunnen slaan! Elke ochtend ging ze naar buiten
en sloeg een boom, drie keer. Maar in deze boom woonde een geest. Na een
tijdje kreeg deze geest er genoeg van, verliet de boom en ging de stad
in Noeri's man opzoeken. Hij zei hem: "Ik kan begrijpen waarom je weg
bent gegaan." Hij zag dat de man in de problemen zat, zonder geld; hij
wilde hem graag helpen. Hij bedacht een plan en vertelde het aan Noeri's
echtgenoot: "Ik ga naar die en die rijke man en maak dat zijn dochter
van mij bezeten raakt. De rijkaard probeert alle dokters uit. Niets
helpt. Dan kom jij. Door jou verlaat ik het meisje en jij krijgt veel
geld als beloning. Maar één ding. Onthoud dat ik dit maar één keer met
je doe. Als je me nog een keer roept, dood ik je." En zo gebeurde het.
De man kreeg veel geld en alles leek voorbij. Maar nee, de
koningsdochter van het land raakte bezeten; geen geneesmiddel baatte,
geen dokter wist raad. De koning ontbood Noeri's echtgenoot om hem te
helpen. Wat nu te doen? Sterven door een geest of gedood worden door de
koning? Hij ging, maar bedacht een list. Nauwelijks bij de prinses
binnengekomen riep de geest al luide: "Ik heb je toch gewaarschuwd? Wat
kom je doen?" "Maar ik ben niet gekomen om je iets te vragen; ik moet je
alleen wat in het oor fluisteren: "Noeri is in deze stad komen wonen."
En onmiddellijk verliet de geest de prinses en ontvluchtte de stad.
top
DE SOEFI
Eens rustte een Soefi langs de kant van de weg, gelukkig en tevreden, de
benen gestrekt , de armen gevouwen. Hij voelde zich heel lekker.
Een voorbijganger zag hem en schrok. Hij was een vroom man en voelde
zich gechoqueerd.
Hij riep: “O onbeschaamde! Wat doet u daar?”
De Soefi was verbaasd en vroeg wat er aan de hand was.
De vrome zei: “Wat ligt u daar onbeschaamd, met de voeten uitgestrekt
naar Mekka (de gebedsrichting dus).
U moest beter weten.”
De Soefi vroeg: “Kom naderbij, mijn vriend. Wees zo vriendelijk en neem
mijn benen en leg ze in de richting waar het Goddelijke zich niet
bevindt.”
top
Een Boeddhistische leerling vraagt
aan zijn meester aan welke overpeinzingen hij zich zou moeten overgeven.
“Je moet het welzijn en het geluk van andere mensen verlangen met
inbegrip van dat van je vijanden.”
Een Boeddhistische leerling vraagt
aan zijn meester aan welke overpeinzingen hij zich zou moeten overgeven.
“Je moet het welzijn en het geluk van andere mensen verlangen met
inbegrip van dat van je vijanden.”
HULP
Er bestaat in het Verre Oosten een parabel over een hond die naar een
bepaalde stad ging. Het was een lange reis, die gewoonlijk twee tot drie
dagen in beslag nam, maar hij kwam er al voor de zon de volgende dag
onderging aan. De honden uit die stad waren verbaasd dat hij er nu al
was.
"Ja, het was een lange reis," zei de hond, "maar het feit dat ik de weg
snel heb afgelegd, komt op rekening van de vriendelijkheid en hulp van
mijn medehonden. Sinds ik van huis ben weggegaan, kwamen er telkens als
ik moe was en een ogenblik wilde rusten, vier, vijf honden op me af,
blaften me aan en wilden me bijten. En dus moest ik wel doorhollen. Ik
kreeg niet de kans om te rusten en naar voedsel te zoeken. En zo ging
het overal, tot ik op de plaats van bestemming aankwam."
DE
TROUWE LEERLING
Er gaat in India een verhaal
over een groot Soefi-heilige, Oesman Haroeni, een moershied, naar wie
duizenden leerlingen toekwamen, waaronder vele van de knapste geleerden
en grootste filosofen uit die tijd. Hij leerde hen de diepste waarheid
over mystiek, maar bovenal eerbied voor de naamloze, vormloze God.
Er kwam echter een moment, waarop hij tegen hen zei: "Tot nu toe heb ik
gebeden volgens de moslim-traditie, maar thans voel ik dat ik me in alle
nederigheid moet gaan uitstrekken voor het beeld van de godin Kali."
Zijn leerlingen waren met afschuw vervuld. Dat hij, wiens opvatting over
God zo verheven was, zich zou buigen voor het afgrijselijke beeld van
Kali, was voor hen ondenkbaar. Door Kali te aanbidden brak je immers de
wet van het geloof. Ze waren bang dat hun meester zijn verstand had
verloren. Sommigen dachten zelfs dat hij het pad volgde dat naar beneden
leidde.
Toen de meester naar de tempel van Kali ging, ging er dus maar één van
zijn leerlingen met hem mee, een jongeling wiens devotie voor de meester
heel groot was. Onderweg zei de meester tegen hem: "Ga terug. Zij zijn
met zovelen. Zij hebben vast en zeker gelijk. Misschien heb ik het wel
bij het verkeerde eind.
"De jongeman bleef hem echter volgen. Toen ze bij de tempel kwamen, was
de meester zo getroffen door de gedachten die het beeld van de godin in
hem opriepen, dat hij zich in alle nederigheid voor haar uitstrekte. En
de leerling, die naast hem stond, keek vol medeleven toe bij de gedachte
dat de meester zoveel volgelingen had gehad en zij zich in een oogwenk
tegen hem hadden gekeerd.
Toen de meester opstond zei hij: "Volg je me nog steeds?" En toen de
leerling dat bevestigde, zei de heilige: "Misschien begrijp je niet
waarom je me volgt."
Toen zei de leerling: "Van u heb ik de eerste les van het spirituele pad
geleerd: dat er niemand bestaat behalve God. Hoe kan ik het beeld van
Kali uitsluiten, als u verkiest ervoor te buigen en u ervoor uit te
strekken?"
top
Eerlijkheid
Er is een verhaal over een jongen die dwars door de woestijn naar Bagdad
werd gestuurd. Zijn moeder had een paar goudstukken in zijn deken
genaaid en zei dat hij die veilig verborgen moest houden en de deken
niet mocht opentornen voor hij de stad had bereikt. Dat was een
voorzorgsmaatregel tegen rovers, want er waren nog geen treinen, auto's
of karavanen. Je kon enkel en alleen te voet reizen.
Toen de jongen bij de woestijn kwam, ontmoette hij een bende rovers.
Hoewel ze dachten dat hij niet veel geld bij zich zou hebben, omdat hij
maar een kleine jongen was, vroegen ze hem toch: "Heb je muntstukken,
goud of zilver bij je?" Nu had de jongen geleerd altijd en overal de
waarheid te spreken en dus antwoordde hij: "Ja".
Hij kon het niet in overeenstemming met zijn geweten brengen om "nee" te
zeggen.
"Waar heb je ze?" vroegen ze.
"Ze zijn in mijn deken genaaid,"zei hij.
Omdat hij hun dat zo vrijmoedig vertelde, stal hij hun hart en traden de
rovers zelf ook eerlijk op.
Ze zeiden: "We zouden van je hebben gestolen, als je ons niet de
waarheid had verteld."
En ze lieten de jongen gaan.
top
De tranen van de hemel
Er was eens een klein dorp aan de voet van een berg. Op deze berg viel
de regen nooit en er groeide niets. Dit maakte dat de mensen uit het
dorp dachten dat er een vloek rustte op de berg en niemand ging er heen.
Maar één jonge man was nieuwsgierig, zoals jonge mensen vaak zijn, en
hij besloot de berg te beklimmen en dit mysterie zelf te bestuderen.
Hij ontdekte dat, zoals men hem gezegd had, de bergtop droog en zonder
leven was.
Hij besloot tot een experiment, en hij droeg iedere dag een emmer met
water langs de gevaarlijke kant van de berg, en stortte die uit op de
rotsen en het zand op de top. Al spoedig werd het zijn gewoonte iedere
dag vroeger op te staan dan alle anderen en deze zelfopgedragen-taak te
volbrengen vóór het dagelijks werk begon.
De mensen uit het dorp dachten dat hij vervloekt was door de geesten van
de berg en ze schonken weinig aandacht aan zijn vreemde gedrag. De tijd
ging voorbij, zoals het gaat, en de jonge man werd oud, maar hij ging
voort met zijn dagelijkse pelgrimstocht naar de berg, en droeg het water
naar de top en goot het water over de gebarsten grond, waar geen leven
groeide.
Op een dag, toen de man al heel oud was, merkten de dorpelingen dat hij
niet was teruggekeerd van zijn dagelijkse klim naar de top. Een groep
mannen ging op pad om te zien of hij uiteindelijk toch gevallen was op
de gevaarlijke rotsen van de berg en naar beneden was gestort. Zo
klommen de mannen langs een pad dat door ontelbare voetstappen in de
rotsen was uitgeslepen, over vele gevaarlijk uitstekende randen, naar de
torenhoge hoogte van de top.
En daar zagen ze iets dat ze nooit zouden vergeten, want voor hen lag de
mooiste tuin die hun ogen ooit zouden aanschouwen. Met stomheid geslagen
liepen ze over het enige pad met tranen in hun ogen door de schoonheid
en heerlijkheid van de pracht rondom hun heen. En daar, in het midden
van deze prachtige tuin, vonden ze het lichaam van de oude man,
uitgestrekt, als rustte hij op het groene gras, omgeven door duizend
geurende bloesems. Er was een glimlach op zijn oude, verweerde,
stralende gezicht. Zijn werk was voor altijd volbracht.
Ze begroeven hem waar hij lag en toen ze rond hem stonden om als vaarwel
hun gebeden te zeggen, viel de eerste regen, die ooit op die plaats
gevallen was.
Daarom heet deze berg, onze berg, het huis van de tranen van de Hemel.
Wanneer we zien dat de regen op onze berg valt om vandaar onze velden
water te geven, weten we dat dit de erfenis is van een eenvoudige man
met een groot geloof.
top
Lunch met God
Een kleine jongen wilde God graag ontmoeten. Hij wist dat het een hele
tocht was, naar waar God woonde, dus pakte hij zijn koffer met koekjes
en zes pakken limonade en begon zijn reis.
Toen hij zo'n drie huizenblokken ver was ontmoette hij een oude vrouw.
Zij zat in het park zomaar wat te kijken naar een paar duiven. De jongen
ging naast haar zitten en deed zijn koffer open. Hij stond op het punt
om een slok te nemen van zijn limonade toen het hem opviel dat de oude
vrouw er hongerig uitzag, dus bood hij haar een koekje aan. Dankbaar nam
zij het aan en glimlachte naar hem. Haar glimlach was zo betoverend, dat
de jongen die graag weer wou zien, dus bood hij haar limonade aan. En
weer glimlachte ze naar hem. De jongen was in de wolken.
Zij zaten daar de hele middag te eten en te glimlachen, maar ze zeiden
geen enkel woord. Toen de schemer viel realiseerde de jongen zich, hoe
moe hij was en stond op om te vertrekken, maar toen hij een paar stappen
had gedaan draaide hij zich om en rende terug naar de oude vrouw en gaf
haar een dikke knuffel. Zij gaf hem de allermooiste glimlach ooit.
Toen de jongen na korte tijd de voordeur van zijn eigen huis open deed,
was zijn moeder verrast door de gelukkige uitstraling op zijn gezicht.
"Wat heb je vandaag gedaan dat je zo gelukkig heeft gemaakt?" "Ik heb
geluncht met God". En voordat zijn moeder daarop kon antwoorden voegde
hij er aan toe:
"Weet je? Zij heeft de mooiste glimlach die ik ooit heb gezien!"
Ondertussen kwam de oude vrouw, ook stralend van geluk, thuis. Haar zoon
was verbaasd over haar vredige gelaatsuitdrukking en vroeg: "Moeder wat
heb je gedaan vandaag, dat je zo gelukkig heeft gemaakt?" Zij
antwoordde: "Ik heb koekjes gegeten in het park met God." Voordat haar
zoon antwoordde, voegde ze toe: "Weet je, hij is veel jonger dan ik
dacht."
Te vaak onderschatten we de kracht van een aanraking, een glimlach, een
vriendelijk woord, een luisterend oor, een gemeend compliment of de
geringste daad van zorg die we zelf binnen in ons hebben en waarover we
kunnen beschikken, om het leven helemaal een andere kant op te laten
gaan. Mensen komen in ons leven om een bepaalde reden, voor een seizoen
of voor het hele leven. Omhels hen allen zonder weerga.
top
Hoe
verruim ik mijn hart?
Hazrat Inayat Khan
In 1919 stond Hazrat Inayat Khan in Edinburg een groep nieuwe leerlingen
te woord. Zij vroegen hem of hij hun raad kon geven voor hun leven in de
wereld. Inayat Khan antwoordde dat hij aan iedereen, ook aan zijn
leerlingen, de vrijheid liet zo te leven als ze het zelf goed vonden.
Hij was er niet voor zijn principes aan anderen op te leggen, omdat
iedereen zijn leven moet leiden in overeenstemming met zijn staat van
evolutie, en de principes van de een zijn niet vanzelf geschikt voor de
ander. Zij gingen toch door met vragen en zeiden dat ze volgelingen
waren geworden omdat zijn leer hun aantrok, en zij zouden grote waarde
hechten aan een enkele raadgeving uit zijn mond. Inayat Khan zei toen:
Als u werkelijk enkele woorden over dit onderwerp wilt horen zal ik u
zeggen hoe ik, onder bepaalde omstandigheden althans, probeer te
handelen.
Bij alles kijk ik vanuit het standpunt van de ander zowel als dat van
mij, daarom laat ik iedereen vrij in zijn opvattingen, omdat ik mezelf
die vrijheid ook geef. Ik waardeer wat goed is in een ander en zie over
het hoofd wat ik verkeerd vind.
Als iemand zelfzuchtig tegenover mij handelt, beschouw ik dat als
natuurlijk, omdat zelfzucht de menselijke natuur eigen is, en ik word er
niet door teleurgesteld. Maar als ik mijzelf een egoïst vind, neem ik
mijzelf onderhanden en tracht beter te worden.
Er is niets dat ik niet bereid ben om te verdragen en er is niemand wie
ik niet zou willen vergeven.
Ik twijfel nooit aan wie ik eenmaal mijn vertrouwen heb geschonken, ik
haat nooit wie ik liefheb, ik veracht nooit iemand wie ik eenmaal mijn
achting heb gegeven.
Ik zoek de vriendschap van iedereen die ik ontmoet; als ik ze moeilijk
vind, doe ik een poging hun vriendschap te winnen. Als ik met die poging
niet slaag, laat ik ze verder met rust. Maak ik iemand eenmaal tot
vriend, dan wens ik die vriendschap nooit te verbreken.
Als iemand mij op een of andere wijze kwaad doet, dan denk ik dat ik dat
waarschijnlijk verdien, of dat degene die mij kwaad doet niet beter
weet. Ik heb geen vijanden, maar iedereen die zich laat ‘horen’ in het
leven wekt veel verzet.
Ik beschouw niemand als hoger of lager dan mijzelf.
In alle bronnen waaruit ik de behoeften van mijn leven put zie ik één
bron, God, de enige Bron, en als ik iemand bewonder en hem eer bewijs of
liefheb, weet ik dat ik God bewonder, vereer, liefheb.
In verdriet vertrouw ik op God en in vreugde dank ik Hem.
Ik treur niet over het verleden, ik ben niet bezorgd over de toekomst,
maar tracht van het heden te maken wat ik kan. Ik ken geen mislukking,
zelfs in vallen zie ik een eerste stap om te stijgen, en succes en
tegenspoed in het leven doet er weinig toe.
Ik heb geen berouw over wat ik gedaan heb, en ik denk, zeg en doe wat ik
meen.
Als ik in het leven iets tot stand wil brengen, ben ik niet bang voor de
gevolgen;
Ik begin er aan en doe het gewoon, en ik neem aan dat wat komen moet,
komt.
Neem van deze ideeën wat u het beste toeschijnt, en vergeet de rest.
top |